Welkom op mijn netvlies.

Translate

zondag 20 november 2011

Uit de voorgeschiedenis van de moderne dans.

We zijn gewend veelvormige verschijnselen te ordenen door ze te beschrijven en te benoemen en ze vervolgens, voorzien van een etiket, in een structuur onder te brengen. Op het gebied van de dansgeschiedenis worden vaak met etiketten gewerkt als volksdans, hofdans, theaterdans, gezelschapsdans, solo-dans, rituele dans etc. Danshistorici hebben zich in het verleden al vaak met deze indelingen beziggehouden. De opvatting is daarbij gemeengoed geworden dat een scheiding van dansen in bijvoorbeeld volksdansen en solodansen, dat wil zeggen met of zonder functie, weinig zin heeft en zelfs verdwijnt als dans wordt opgevat als een vorm van menselijk gedrag.

Hofdans en gezelschapsdans

In de muziekbibliotheek van het Haagse Gemeentemuseum bevindt zich een anoniem lofdicht uit ca. 1770 met als titel 'De Glorie van het dansen'. Het lofdicht maakt onderdeel uit van de danscollectie in deze bibliotheek, die zowel publicaties over dansgeschiedenis, ethiek en esthetiek omvat als praktische dansmethodes; daarnaast is er de dansmuziek (noot 1). "De Glorie van het dansen" is gebaseerd op originele dansboeken uit de periode 1580-1770. De dansen uit deze periode die werden vastgelegd, kwamen uit de hogere kringen van de maatschappij: het hof, de adel en de gegoede burgerij. Deze laatste groep wilde zich spiegelen aan het hof. Ze nam daarom de hofdansen als voorbeeld of ontwikkelde juist als reactie op deze hofdansen haar eigen dansen, waarvoor minder regels en technische vaardigheden nodig waren. Deze dansen krijgen over het algemeen de etiketten hofdans en gezelschapsdans opgeplakt.

Volksdans

Volksdans neemt hierbij een aparte plaats in, omdat ze wordt onderscheiden van de gezelschapdans als de traditionele dans of dansen van een bepaald land of bepaalde streek. Volkdans heeft vaak uiteenlopende functies. De volksdans is pure ontspanning, ze geeft uitleg over gewoontes van een streek of land, of maakt een bepaald standpunt duidelijk aan de omgeving. Meestal vormde ze een verzameling van deze functies. Omdat volksdans, net als volksmuziek, mondeling werd overgedragen, zijn er jammer genoeg geen beschrijvingen van de volksdansen uit deze periode.

Het hofbal


Een hofbal was in de tijd van Lodewijk de Vijftiende onderworpen aan strenge regels van het hof. Er werden bepaalde gedragscodes opgelegd, zoals bijvoorbeeld de toewijzing van een vaste plaats, zowel om te zitten als om te dansen. Zodra alle gasten een plaats hadden gekregen, stond het koningspaar op om het bal te openen. In volgorde van rang stelden de andere paren zich op, bogen naar elkaar en danste de branl. Daarna kwam de gavotte, ook een groepsdans, maar onderbroken door solo's, gevolgd door paardansen. Het menuet aan het eind vormde het hoogtepunt. Deze ceremonie herhaalde zich totdat iedereen aan de beurt was geweest. Wie in die tijd de belangrijkste plek had op de dansvloer, had ook zo'n belangrijke positie in de maatschappij. Men moest hoog op de sociale ladder staan om uitgenodigd te worden voor een bal. De balletten die aan het hof werden uitgevoerd hadden tevens een politiek doel. Dit was bijvoorbeeld het geval met het 'Ballet comique de la reine' uit 1581. Daarin moest de heks Circe in het bijzijn van alle andere aanwezige vorsten zich onderwerpen aan de absolute macht van de koning van Frankrijk. De genoemde spelregels voor de hofdans werden tijdens de regering van Lodewijk de Vijftiende ingevoerd en vastgelegd. Ze waren toonaangevend voor de hoven elders in West-Europa en voor andere aristocratische balzalen. Daarnaast kwamen er geleidelijk andersoortige dansen in zwang. De gezelschapsdans van de Middeleeuwen was in hoge mate bepaald geweest door de bloei van de hoofse cultuur. Men danste in kringen of paren, los van elkaar of met een lichte aanraking. De troubadours hadden deze van oorsprong boerendansen verfijnd en aangepast aan de omgangsvormen van de aristocratie. Rond 1500 gingen deze plechtige dansen vervelen en kwamen er snellere dansen in opkomst zoals de volta. In deze dansen maakten de paren sprongen en verschillende draaien. Aan het hof nam de populariteit van het draaidansen in de zeventiende eeuw echter weer af door een verandering in mode en stijl. De verandering van kleding en de grotere vrijheidsdrang bevorderden de opkomst van de wals, het glijdend zwieren door de zaal. De wals was de eerste gezelschapsdans die doordrong tot de brede lagen van de bevolking. Geen dans drukte beter de nieuwe tijdgeest uit: dynamisch, vitaal en uitbundig. Regels en voorschriften moesten plaatsmaken voor vrije expressie. Naast culturele zijn ook maatschappelijke en politieke factoren van invloed op het veranderende karakter van de dans. Voor de expressie van de individuele vrijheid, weg van de alledaagse werkelijkheid, was de dans, ontdaan van haar representatieve en ceremoniële aspecten, het geschikte medium.

Theaterdans en ballet

Theaterdans was aanvankelijke bedoeld als vermaak door en voor het hof. Het 'ballet de cour', een harmonieuze combinatie van poëzie, muziek, dans en enscenering, paste in de aristocratische sfeer van het Franse hof. In het latere 'opera-ballet' en de 'tragedie lyrique' vormde dans een onmisbaar element, nu ook echter nauw met de handelingen verweven. Toen Lodewijk de Vijftiende steeds meer met professionele dansers ging werken, heeft hij de basis gelegd voor het klassieke ballet zoals we dat nu kennen. Er kwamen getrainde specialisten die optraden voor een groot publiek in openbare zalen. Het ballet liet zich inspireren door de volksdans en de gezelschapsdans, maar ging in de ontwikkeling van de techniek nu zijn eigen weg.

De dansmeester

De Middeleeuwse troubadours kunnen beschouwd worden als de eerste dansmeesters. Ze onderwezen de edellieden in de kastelen en waren belangrijk voor de verspreiding van de dansvormen in Europa. Het waren vaak mensen met een grote algemene ontwikkeling. De eerste dansmeester die met naam en toenaam bekend is, was Domenico de Piacenza. In 1614 publiceerde hij zijn 'De arte saltandi et choreas ducendi', het eerste dansboek dat in manuscript bewaard is gebleven. Tijdens de Italiaanse Renaissance met haar vele festiviteiten waren de dansmeesters gezochte figuren, die in hoog aanzien stonden. Zij leerden de adel niet alleen de danspassen, maar ook een goede houding en gedrag volgens de etiquette. De dansmeesters waren bovendien verantwoordelijk voor de organisatie van de feesten aan het hof waarbij gedanst werd. Ze bedachten steeds nieuwe 'balli', gedanste pantomimes gebaseerd op de passen van de bekende hofdansen. Deze beschreven zij in hun boeken. Die bevatten passages over danstheorie, stijl en etiquette en tevens beschreven ze de verschillende danspassen en choreografieën, al dan niet met muzieknotatie en afbeeldingen erbij. Deze boeken hebben ertoe bijgedragen dat de dans vanuit Italie over heel Europa werd verspreid. Met de oprichting van een speciale academie voor de dans in 1661 in Parijs, de 'Academie Royale de Danse', kreeg het dansen de status van vak dat men kon leren. Dansmeesters als Beauchamps, Pécour en Feuillet hadden de taak de danskunst vast te leggen en te verfijnen. Ook zochten zij naar methoden om dansen te noteren. Dat resulteerde in de 'Choréographie, ou l'art de décrire la dance' van Feuillet uit 1700. In deze context vormden dans en muziek een twee-eenheid. Die band tussen muziek en dans had al een lange voorgeschiedenis. Oorspronkelijk kwam ze tot uiting in culturen waar de danser zichzelf begeleidde door in zijn handen te klappen, te stampen met zijn voeten, of op een andere manier het ritme te laten horen. In de Middeleeuwen was er in West-Europa een nauwe relatie tussen dans en muziek. Die relatie bleef bestaan bij het optreden de dansmeester, die niet alleen de choreografie maakte, maar ook instrumentaal het geheel begeleidde. De volksdans bleef sterk regionaal gebonden met eigen muziek en instrumenten, het repertoire van de hofdans was internationaler. De verschillende melodieën werden door de rondtrekkende dansmeesters en muzikanten in diverse landen verspreid. De enorme omvang van dit repertoire wijst uit, hoe geweldig populair de dans was. Het is opmerkelijk dat om deze redenen de dans dus ook de beoefening van de zuiver instrumentale muziek enorm bevorderd heeft.

(Noot 1) Bron: Muziekbibliotheek van het Haags Gemeentemuseum: danscollectie (120 titels op microfiche), Leiden 1982.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen