Welkom op mijn netvlies.

Translate

zondag 19 oktober 2014

Alles en niets...

Op een ochtend liepen de eekhoorn en de mier door het bos.
"Waar gaan we eigenlijk heen?" vroeg de eekhoorn?
"Naar de verte," zei de mier.
"O," zei de eekhoorn.
"De wereld is zo groot, eekhoorn…" zei de mier.
"Ja," zei de eekhoorn.
"En hoe verder je loopt hoe groter hij wordt," zei de mier.
"Dus eigenlijk," ging de mier verder, "als je maar altijd doorloopt, is hij oneindig groot."
 De eekhoorn knikte, maar wist niet wat oneindig was en hij geloofde niet dat iemand altijd zou kunnen doorlopen. Hij dacht zo diep mogelijk na. Als ik ga zitten, dacht hij, zou de wereld dan weer kleiner worden? En als ik dan altijd blijf zitten? Hij vond dat een ingewikkelde gedachte en besloot alleen nog maar om zich heen te kijken. Ze liepen door een onafzienbare vlakte. Urenlang liepen ze door. Toen stonden ze plots voor een muur.
"We kunnen niet verder," zei de eekhoorn.
"Maar we kunnen er wel overheen," zei de mier.
"Kijk uit." Hij stapte op de schouders en het hoofd van de eekhoorn en klom op de muur.
"Wat is er aan de andere kant?" vroeg de eekhoorn.
Het was een lange tijd stil. Toen zei de mier: "Niets."
"Maar wat zie je dan?" vroeg de eekhoorn.
"Niets."
"Maar als je naar beneden kijkt, zie je dan geen grond?"
"Nee."
"En lucht? Je ziet toch wel lucht?"
"Nee. Ook geen lucht."
Het was even stil. De eekhoorn dacht na."Kan je er iets horen?"
"Nee," zei de mier. "Niets."
"Is het er dan helemaal stil?"
"Nee."
"Maar als je niets hoort, dan is het toch stil?"
"Ja," zei de mier.
"Dat dacht ik ook.
En toch is het er niet stil. Het is niets."
"Maar dat kan niet," zei de eekhoorn.
"Nee," zei de mier.
De eekhoorn dacht een tijd na."Waar ruikt het naar?" vroeg hij toen?"
"Het ruikt er niet," zei de mier.
De eekhoorn zweeg en dacht weer een tijdje na.
"Als je kon vliegen, kon je er dan overheen vliegen?" vroeg hij toen.
"Waaroverheen?"
"Daaroverheen."
"Er is geen daar. Dat zeg ik je toch. Er is niets!"
"Kan je je dan niet aan de andere kant naar beneden laten zakken?"
"Er is geen andere kant! Er is maar één kant. En nu moet je niets meer vragen!"
De mier stapte weer op het hoofd van de eekhoorn en sprong op de grond.
Ze gingen met hun rug tegen de muur in het gras zitten.
 De mier zei niets.
De eekhoorn kon zien dat hij nadacht.
Even later begon de mier een gat te graven onder de muur door.
Driftig vloog de grond omhoog.
Maar toen hij midden onder de muur was kon hij niet verder graven.
"Ik kan niet verder," hoorde de eekhoorn hem roepen
."Waarom niet?" riep de eekhoorn terug.
"Er is niets meer te graven."
"Is er geen grond meer?"
"Nee."
"Wat is er dan?"
Even was het stil.
Toen klonk er een zacht en aarzelend: "Niets".
De mier kroop terug en ging naast de eekhoorn staan.
 Hij sloeg de aarde van zich af."En toch moet er een andere kant zijn," zei hij. "Dat moet!".
"Waarom moet dat?" vroeg de eekhoorn.
"Dat moet!" schreeuwde de mier. "Er moet iets zijn! Niets is verschrikkelijk," schreeuwde hij.
Toen kneep hij zijn ogen dicht en zei: "Nee. Niets is niet verschrikkelijk. Niets is niets."
De eekhoorn zweeg en keek naar de grond. Als daar niets is, dacht hij, dan is hier dus alles! Hij keek naar de lucht en de vlakte en het bos in de verte en de mier naast hem. Dat is dus alles, dacht hij. Meer is er niet. Hij knikte en was tevreden over wat er was. Meer hoeft er ook niet te zijn, dacht hij. Maar de mier liep rood en voorovergebogen heen en weer. Zijn gezicht was vol rimpels en hij zei voortdurend, maar wel steeds zachter: "Er moet iets zijn. Dat moet. Dat moet." 
De eekhoorn kreeg honger en zei: "Laten we maar teruggaan."
De mier zuchtte heel diep, keek nog één keer vertwijfeld naar de muur, zei nog één keer: "Er moet iets zijn" en liep toen voor de eekhoorn uit de vlakte in.
Toen het donker was, kwamen ze in het bos aan.
"De wereld valt me tegen," zei de mier.
"Weer iets dat me tegenvalt," ging de mier verder en hij schudde zijn hoofd.
Laat in de avond zaten ze in het huis van de eekhoorn, boven in de beuk en aten rode stroop en hadden het over verjaardagen, over taarten, over de zon, over de geur van dennenhars en over de zomer. Over alles hadden ze het, behalve over de wereld en over niets.
Fragment uit het filosofische dierenboek: "Misschien wisten zij alles" van Toon Tellegen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen